Terug in De Strafkolonie

 

Terug uit Suriname. Twintig jaar na de publicatie van mijn eerste boek De Strafkolonie bezocht ik andermaal de voormalige suikerplantage Jodensavanne.  Daar hield Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog 146 zogenoemde Indische NSB’ers gevangen, ook wel aangeduid als de asocialen of onverzoenlijken. Ze waren vanuit de kolonie in de Oost verscheept naar de andere kant van de wereld, naar een kamp in de jungle, vijftig kilometer onder Paramaribo. Een deel bestond inderdaad uit NSB’ers. Een ander deel had nooit iets met deze partij – populair onder ambtenaren en militairen – te maken gehad of de banden al lang doorgesneden.

Acht van de 146 mannen kwamen om het leven. Karel Raedt van Oldenbarnevelt en Loo van Poelje werden door Nederlandse mariniers in Fort Zeelandia geëxecuteerd. Ik spitte indertijd archieven door en sprak voor mijn boek met de laatste nog levende gevangenen, hun bewakers, met familieleden van de 146 en met vele anderen. In Nederland en Suriname.

Sinds de publicatie van De Strafkolonie in 2006 krijg ik elk jaar nog tal van vragen vanuit de hele wereld. Familieleden van voormalige gevangenen wonen in Indonesië, de Verenigde Staten, Australië, Zuid-Amerika en Europa. Ook in dit nog jonge jaar ploften er alweer verzoeken om informatie in de mailbox. Het blijft een voor velen onbekende geschiedenis.

Ontbrekende informatie

De Strafkolonie

Tijdens mijn jongste bezoek aan Suriname constateerde ik dat Jodensavanne danig is aangeharkt en aardig wordt bezocht. Informatie over de Joodse historie is ruimschoots aanwezig in een museumkiosk. Maar over de 146 gevangenen die hier tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleven, ontbreekt elke informatie. En de gidsen, die dagelijks (veelal oudere Nederlandse) toeristen rondleiden, doen het af met twee zinnen, foutieve informatie incluis.
Ik nam zelf de proef op de som. Bovendien vertelden eerdere en latere bezoekers mij wat ze te horen kregen.

Ik lichtte ze uiteraard bij en vertelde ook over de afloop. Veel  familieleden in toenmalig Indië kregen nooit bericht over de verblijfplaats van hun echtgenoten, vaders, broers of zoons. Het Rode Kruis had geen toegang tot Jodensavanne. De mannen werden door het thuisfront veelal doodgewaand.

Asociale schuim

Na de bevrijding wist Nederland zich geen raad met dit gezelschap van artsen, planters, ambtenaren en militairen.  Pas in juli 1946, een jaar na het einde van de oorlog, zwaaiden de poorten van De Strafkolonie open. De vrijgelaten mannen werden op de boot naar Nederland gezet. Ze mochten in de jaren daarna mondjesmaat terug naar de Oost. Hun terugkeer leidde tot schrijnende situaties. Denk aan achtergebleven echtgenotes die inmiddels waren hertrouwd.

NEFIS, de militaire inlichtigendienst, waarschuwde in 1946 voor hun vrijlating. “Ik meen nauwelijk meer behoeven op te merken, dat het loslaten van het asociale schuim van de voorloorlogse Indische maatschappij in Nederland, in verband met het totaal ontbreken van enig toezicht op de acties ten aanzien van Indië, hier te lande een groot gevaar oplevert”.

 

Zie ook de oude website over De Strafkolonie of eerdere bijdragen over Suriname hier bij De Taal van Twan

 

 

XXXX

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.