Papeveld had indertijd zelf geen bemoeienis met de zaak van die arme Dirk Duister. Hij was nog maar net in dienst. Maar dat de zwerver in de nacht na het promotiefeestje door zijn hoofd scharrelt, is zo vreemd niet. Zijn dood dreunt lang na. Als politiemensen elkaar met een biertje in de hand treffen, hoort Dirk erbij.
Ondanks de doorwaakte nacht loopt de hoofdinspecteur ’s ochtends weer bijtijds de burelen aan de Nassauweg binnen. Er moet een andere moord worden opgelost.

Adjudant Adriaan Riekwel zit al achter zijn bureau. Hij bladert door de ochtendkranten van vrijdag 2 juli en leest voor uit De Dordtenaar, de regionale krant.

‘Met een vrachtwagen van de
gemeentereiniging werd het stoffelijk
overschot naar het Gemeenteziekenhuis
getransporteerd. Daar stond de
patholoog-anatoom klaar. De schedel van
het slachtoffer moet aan de voorkant zijn
ingeslagen met een stomp voorwerp.’

Dat laatste heeft Papeveld gisteren aan het eind van de middag tegen enkele journalisten verteld.

Franciscus J.
**Het Vrije Volk, 2 juli 1976

In het volledige rapport van patholoog Zeldenrust zal de hoofdinspecteur meer details lezen, ook over de verwondingen aan het hoofd. Dat was behalve in de slaapzak verpakt in een blauwgroen flanellen laken en in een plastic zak van de Gemeentelijke Vuilverbranding Dordrecht, de GeVuDo.
Zeldenrust meldt bovendien:

‘De dood is recent ingetreden,
de klimatologische omstandigheden
mede in aanmerking genomen, 

vermoedelijk enkele dagen voor
1 juli 1976.’ 

Papeveld bladert door de andere kranten van die vrijdag en ziet zichzelf terug op pagina zeven van De Telegraaf. Hij houdt de slaapzak omhoog.
Exact dezelfde foto staat later op de voorpagina van avondkrant Het Vrije Volk.  Het slachtoffer wordt in de kolommen Franciscus J.  genoemd, een 22-jarige inwoner van Dordrecht. Hoe weet de pers dát nou weer?

Ouders informeren
Papeveld schuift zijn koffie resoluut terzijde. Hij wil de ouders van deze Franciscus informeren, en wel meteen.
Dat Riekwel hem zal vergezellen is vanzelfsprekend. De adjudant kent de stad tot in de diepste krochten. Hij dient de politie al dertig jaar.
Het is ook Riekwel geweest die Papeveld wegwijs heeft gemaakt toen die hier zes jaar geleden, neerstreek. ‘Laten we een biertje doen, een beetje rondlopen, hier en daar binnenstappen, dan leer je de stad kennen’, stelde de oude rot al snel voor.
Betty woonde toen nog in Zierikzee. De jonge politieman zat aanvankelijk in zijn eentje opgesloten in een krappe kamer in de binnenstad, bij een hospita. Pas later, na hun trouwen, was hij met zijn vrouw verhuisd naar de ruime tweekapper waar ze nu resideren.
“Kom op”, zegt Papeveld, “hoogste tijd om naar die ouders te gaan”. Ze moeten naar een buurt waar de politie doorgaans met pek en veren wordt ontvangen.

 

                Volgende keer: We laten ons niet slaan